Vrolijk riep je:
”Kale koppen niet te stoppen.”
En lachen dat we deden!
Tot… het… lachen… ons… verging…
Wat werd de tijd
ons slechtgezind —
plotseling. Genadeloos.
Onverbiddelijk sleurt hij je mee,
en spoedig loopt hij
op zijn laatste benen.
Nu kronkel je in vreemde houdingen,
starend door tralies
met de ogen waar je ooit
het leven mee aanschouwde.
Deze menselijke ravage —
ik herken je nauwelijks nog.
Een grauwe askleur
kruipt in jouw wonden.
Kleine kraters
vol spuwend etter,
langzaam invretend
in jouw wegkwijnende ziel.
En de plooien in jouw gelaat
vallen niet meer als voorheen.
Ze buigen mee
met deze macabere dans
die in al zijn goddeloosheid
”Victorie!” over de ruïne van jouw lichaam kraait.
Maar wacht!
Nog één moment!
Ik verfrommel onze herinneringen
tot kreuken in mijn hart,
keil ze onverbiddelijk weg
met een verbeten naïviteit
dat ze ooit
weer verdwijnen in de plooien van de tijd.
Lieve schat,
”Ga nu maar.”
Mijn beste raad ooit.
En smacht niet langer
naar de genade van de dood.
In het Zonnelied looft Franciscus de schepping in haar schoonheid én vergankelijkheid. Ook noemt hij de dood zijn zuster. "Onverbiddelijk" vertrekt vanuit datzelfde besef: dat het leven, met al zijn vreugde, uiteindelijk onderworpen is aan verval en afscheid. Mijn gedicht is een intieme getuigenis van machteloosheid tegenover het lijden van een geliefde, en tegelijk een poging om via taal een vorm van aanvaarding te vinden. Waar Franciscus sterven begroet met open armen, zoekt mijn werk naar zachtheid in het loslaten — niet als overgave, maar als laatste daad van liefde.