Loflied aan het Leven
De ochtend komt op kousenvoeten
legt stilte over steen en straat.
geen lof, geen psalm, geen groot beginnen
mijn hart dat langzaam sneller slaat
en warm wordt van het licht daarbinnen
De zon verschijnt, een licht dat waakt
een oude vriend met gouden handen
hij tilt de schaduw uit het gras
verlicht het stof op vensterranden
laat zien wat ik vergeten was
De maan glijdt door het nachtelijk blauw
niet pretentieus, geen schone schijn
ze kijkt als iemand die nog weet
hoe het is om klein te zijn
en laat de dromen in hun vrede
De wind strijkt langs mijn blote huid
op reis zonder bestemming
hij ruist een taal van vroeger tijden
waarin herinnering en stemming
door elkaars stilte heen glijden
Het water zingt een dieper lied
het stroomt waar ruimte is ontstaan
het kent geen trots, geen vaste gronden
het haar eigen weg wel gaan
als tranen die geen ogen vonden
Het vuur beweegt in zacht cadans
een dans van licht en donker samen.
het knettert zacht, het flikkert stil
en schrijft in rook de oude namen
van wie ik niet vergeten wil
De aarde draagt ons zonder vraag
ze ademt onder onze voeten
ze bloeit in kleuren, ruikt naar tijd
en laat haar kinderen stil begroeten
wat groeit in onvoorspelbaarheid
Ik denk aan hen die zwijgend dragen
die houden van zonder te spreken
geen helden, maar wie blijven staan
wanneer hun hart soms wil bezwijken
om toch de dag weer aan te gaan
En als het einde ooit zal komen
dan komt het stil, niet met geweld
een hand die loslaat, zacht en traag
een laatste zucht die samensmelt
met toen, en nu en ooit
Dan zing ik zacht voor wie wil horen
voor licht en lucht, voor vuur en water
niet om te weten wat het is
maar om te voelen, keer op keer
dat niets verdwijnt, want nu is later