In de donkere onderstromen drijft
Alles dat me angst aanjaagt:
Verdwijnen, in de grote leegte,
Ademhalen, onder water,
De glans, van blikkerende tanden,
Bijtend, brandend en verscheurend,
Handen, die me niet meer strelen,
Haat-geschreeuw uit duizend kelen,
Stappen, die ik niet kan nemen,
Nachten, die maar niet verglijden,
Pijn, die ik misschien moet lijden.
Open nu mijn ogen
En mijn bange, bange hart
Leer me kijken met vertrouwen
Open deuren, sla niets dicht
Leer me vechten voor het licht.
En kijk: het water dat blijft stromen
Helder, als uit zuivere bronnen,
Blauwe lucht springt uit de wolken,
Aarde geeft haar schatten prijs
Bloeiend, vloeiend, overvloedig
Tussen vuur en tussen ijs.
Licht, gefilterd door de bomen,
Water, flonkerend in de zon
Wind, die fluistert in de grassen,
Vogels, die weer nesten bouwen
Ieder jaar weer, vol vertrouwen.
Open nu mijn ogen
En mijn bange, bange hart
Leer me kijken met vertrouwen
Open deuren, sla niets dicht
Leer me vechten voor het licht.
Mijn gedicht is geschreven een paar maanden voordat ik het Zonnelied las. Ik kwam ermee in aanraking door het lezen van de oproep door uw museum. Ik werd getroffen door de tekst van Franciscus, omdat het een groot loflied is op de schoonheid van de wereld en het wonderbaarlijke van het leven en als danklied aan God. Hij was waarschijnlijk ziek toen hij het schreef, maar zijn pijn en angst komt niet aan bod. Hij schrijft vanuit dankbaarheid en laat zijn licht schijnen over dit alles. In mijn gedicht komen eerst de angsten en pijn aan bod, daarna pas de schoonheid van de wereld en het wonderlijke van het leven. Ik worstel met al die dingen in mijn gedicht. En dan…. Het zonnelied komt eigenlijk als een antwoord op al die vragen en op deze worsteling …..zo mooi.