Et ellu è bellu e radiante cun grande splendore, de te, altissimo, porta significatione.
Zon in mijn ogen, maanziek
en de sterren wisten nog niet veel.
Een heer, mijn heer, mijnheer –
hij hield al eens een deur voor mij open.
Die adem blies leven,
ik weet wat het is om leven te geven,
zachte huid, kleine diertjes, grote spieren.
En dan zijn er nog de vier elementen.
Ademloos roep ik hen aan, trek
een cirkel in het grind met de
toppen van mijn schoenen.
Hun antwoord kwam overdonderend:
het vuur van de aanraking, lucht toen je
fluisterde, ik aardde bij jou, tot
alles weer waterig wegvloeide.
Tot atoom gereduceerd, probeer
ik de weg naar de tweede dood in
te slaan.
Rondom dit alles
straalt een cirkel van licht –
ik weet alleen niet of het heelt of brandt.
In het ingestuurde gedicht, heb ik de elementen uit het Zonnelied verwerkt in een nieuwe context, vanuit een persoonlijke beleving. Om het gedicht te schrijven, heb ik gezocht naar de manier waarop de helende werking van het Zonnelied nodig kan zijn in het licht van ons dagdagelijkse bestaan. Verder heb ik gezocht naar beelden die aansluiten bij de thematiek van het Zonnelied, alsook beelden die terugkeren, zoals de cyclische aard van de natuur en onze menselijke interacties.